Gemeenten kunnen de middelen inzetten voor drie inhoudelijke onderdelen:
- Voorschoolse educatie. Gemeenten zijn wettelijk verantwoordelijk voor een voldoende gespreid en kwalitatief goed aanbod voorschoolse educatie voor peuters van 2,5 tot 4 jaar oud (WPO artikel 159). Uit de GOAB-middelen mag alles wat de kostprijs voor een voorschoolse groep met ve hoger maakt dan de maximale vergoeding voor reguliere peuteropvang (fiscaal maximum) worden vergoed. Gemeenten passen dit toe door bijvoorbeeld kind- of locatiegebonden ve-subsidie te verstrekken. Alle aanvullende kosten die ve-locaties hebben om te voldoen aan de landelijke of lokale ve-eisen mogen ook vergoed worden vanuit de GOAB-middelen. Denk hierbij aan ve-opleidingen voor pm’ers (inclusief verletkosten), materialen of een ve-programma, de indicering en toeleiding door de GGD/JGZ naar ve-locaties, inzet pbm‘er/coach of aanschaf ouderbetrokkenheidsprogramma voor ve-ouders. Welk deel gemeenten van hun budget aan ve besteden en op welke manier, mogen gemeenten zelf bepalen.
De handreiking Bekostiging voorschoolse educatie helpt gemeenten een keuze te maken tussen de verschillende bekostigingsmodellen ve en om zicht te krijgen op gerelateerde vraagstukken, zoals de hoogte en opbouw van de subsidie ve.
- Bestrijden onderwijsachterstanden voor leerlingen basisonderwijs. Gemeenten zijn niet wettelijk verplicht taalactiviteiten (mee) te financieren die bedoeld zijn om onderwijsachterstanden in het basisonderwijs te bestrijden. Gemeenten kunnen hier wel voor kiezen. Inzet van GOAB-middelen in het voortgezet onderwijs is niet mogelijk. OAB-activiteiten moeten altijd in goed overleg met het bassionderwijs ingezet worden en leerlingen mogen pas deelnemen als hun ouders hiervoor schriftelijk toestemming geven. In de praktijk gaat het vaak om de volgende activiteiten: vroegschoolse educatie, schakelklassen, zomerscholen of verlengde schooldagen.
- Afspraken rond voor- en vroegschoolse educatie. Gemeenten hebben de wettelijke plicht enkele afspraken te maken met de voor- en vroegschoolse partners. De kosten die voortkomen uit (het maken van) deze afspraken van artikel 160, mogen worden verantwoord via de GOAB-middelen van het Rijk. Het betreft bijvoorbeeld afspraken over:
-
- Indicering: Het indiceren wie wel en geen doelgroepkind is (kosten JGZ).
- Toeleidingsactiviteiten: alle inspanningen die gedaan worden om een geïndiceerde ve-peuter geplaatst te krijgen op een ve-locatie.
- Afstemming tussen voorschool en (vroeg)school, zoals warme overdracht, een IB’er die de ve-locaties bezoekt of gezamenlijke training in het vve-programma.
- Het (laten) monitoren wat vve aan bereik heeft, hoe de ve-kwaliteit is en/of wat vve oplevert.
GOAB-middelen moeten jaarlijks verantwoord worden in de gemeentelijke jaarrekening. De gemeentelijke accountant toetst of dit correct is gebeurd en geeft een verklaring af over de gemeentelijke verantwoording van de besteding van de middelen. Het Ministerie van OCW en DUO nemen het besluit van de accountant in principe over; de initiële doelmatigheidstoets ligt dus bij de gemeentelijke accountant.
In de handreiking Inzet GOAB-middelen 2023-2026 zijn regels rond de inzet van middelen nader uitgewerkt.
In de Veelgestelde vragen zijn vragen van gemeenten op dit thema terug te vinden.