Doelgroep, toeleiding en bereik

Gemeenten hebben wettelijke verplichtingen als het gaat om het indiceren en toeleiden van kinderen met (een risico op) onderwijsachterstanden naar voorschoolse educatie. Om aan deze wettelijke verplichtingen te voldoen is een goede samenwerking met jeugdgezondheidszorg en kinderopvang van groot belang.

Voor- en vroegschoolse educatie is bedoeld voor peuters en kleuters met een onderwijsachterstand of een risico daarop. De oorzaken voor deze onderwijsachterstanden zijn gelegen in een ongunstige sociaal-economische omgeving. Denk bijvoorbeeld aan een lager opleidingsniveau van ouders, weinig inkomen en stress in het gezin. Deze omgevingsfactoren zijn van invloed op de tijd, energie, middelen en mogelijkheden die ouders hebben om thuis de ontwikkeling van hun kind te stimuleren en bij het onderwijs van hun kind betrokken te zijn. Bij de doelgroep van vve gaat het in de basis niet om kinderen die vanwege kindgebonden factoren, zoals een taalontwikkelingsstoornis of gedragsproblematiek, risico lopen op een achterstand in de Nederlandse taalontwikkeling.

Het CBS heeft een rekenmodel ontwikkeld om de risico’s op onderwijsachterstanden in te schatten op basis van omgevingsfactoren en gebruikt daarvoor indicatoren als opleidingsniveau van ouders, herkomstland, verblijfsduur in Nederland en inkomen. Dit rekenmodel is de basis van de verdeling van de landelijke OAB-middelen over gemeenten en schoolbesturen. Meer informatie over dit model en de verdeling van middelen is te vinden in het Dossier Onderwijsachterstanden op de website van het CBS.

In het dashboard onderwijsachterstanden van het CBS kunnen gemeenten opzoeken op welke plekken in de gemeente het risico op onderwijsachterstanden het grootst is. Met tabellen en heatmaps is op wijkniveau te zien hoe groot het risico is.

Daarnaast zijn er bestanden beschikbaar die inzicht geven in de grootte van het risico op onderwijsachterstanden op basisscholen.

Wat moet

Volgens de wet moeten gemeenten samen met het onderwijs en de kinderopvang jaarlijks vaststellen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie en afspraken maken over de toeleiding naar voorschoolse voorziening (WPO artikel 160). 



Er zijn geen wettelijke bepalingen dat een gemeente een definitie moet hanteren voor ‘doelgroepkleuter’. Het kan zijn dat een gemeente hier wel afspraken over maakt met schoolbesturen, bijvoorbeeld in het kader van het formuleren van vve-resultaatafspraken.

Wat werkt?

Veel gemeenten hanteren een doelgroepdefinitie voor voorschoolse educatie, waarin de criteria voor het krijgen van een indicatie zijn uitgewerkt. Een veelgebruikt criterium is het opleidingsniveau van de ouders. Daarnaast is het raadzaam om in de doelgroepdefinitie een criterium op te nemen over de mate waarin de taal- en ontwikkelingsstimulering in de thuissituatie voldoende rijk is, omdat dit een belangrijke voorspeller is van (risico op) onderwijsachterstand. 

In veel gemeenten vindt indicatiestelling plaats door de Jeugdgezondheidszorg, tijdens consulten op het consultatiebureau, vaak tussen een leeftijd van 18 en 24 maanden.

Een peuter met een vve-indicatie heeft recht op voorschoolse educatie: een verrijkt aanbod in de kinder- en peuteropvang, vaak (deels) gesubsidieerd door de gemeente. In een gesprek met de ouder(s) geeft het consultatiebureau informatie over het voorschools aanbod. Een ouder kan zich daarna aanmelden bij een voorschoolse locatie. Ouders hebben de vrije keuze om de vve-indicatie al dan niet te verzilveren.

Doelgroepbereik gaat over het aantal doelgroeppeuters dat daadwerkelijk deelneemt aan voorschoolse educatie. Veel gemeenten streven naar een bereik van rond de 90/95%, terwijl uit lokale monitors grofweg blijkt dat dit veelal rond de 70-85% ligt. In grote gemeenten ligt dit percentage vaak nog iets lager.

Hoe doen anderen het?

Als het gaat om de toeleiding naar voorschoolse educatie, zijn er steeds meer gemeenten die het toeleidingsproces actief volgen. De indicatiestellers bellen bijvoorbeeld ouders van peuters met een indicatie na om te vragen of er nog vragen zijn en of zij zijn aangemeld bij een voorschoolse voorziening. Of er zijn peuterconsulenten (zie bijvoorbeeld Rotterdam en Den Haag) of vve-coördinatoren actief, die ouders de weg wijzen naar de voorschoolse voorziening en ondersteunen bij de aanmelding en inschrijving. Een ander voorbeeld van een toeleidingsactiviteit is het werken met speelgroepen voor dreumesen en hun ouders of het werken met een programma als Opstapje.

Om de toeleiding te versterken, zijn er gemeenten die de informatie aan ouders over vve voor de doelgroep toegankelijk maken, bijvoorbeeld door (video)materialen in verschillende talen aan te bieden, zie bijvoorbeeld de websites van de gemeenten Enschede en Haarlem.

Ook vanuit het GOAB-consortium zijn video’s voor ouders beschikbaar in verschillende talen waarin op een toegankelijke manier wordt uitgelegd wat voorschoolse educatie is en wat de meerwaarde kan zijn voor de ontwikkeling van jonge kinderen.

Lees meer over het verhogen van het bereik in de handreiking ‘Bereik verhogen’.